Veel gemeenten leunen nog achterover bij de Wmo volgens Jet Bussemaker

Het welzijnswerk kan de samenleving echt verbeteren. Maar dan moeten wethouders wel hun nek uitsteken en professionals op burgers afstappen. Jet Bussemaker: ‘Er is nu aandacht nodig voor de andere kerntaak van de Wmo: de collectieve aanpak.’ 

Staatssecretaris Jet Bussemaker (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) uitte zich vaak zeer kritisch over ‘het welzijnswerk’. Ze noemde het sleets, in zichzelf gekeerd en te aanbodgericht. Met een groot congres rondom de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) over ‘welzijnswerk nieuwe stijl’ wil ze de sector weer op de kaart zetten.

Waarom juist nu al die positieve aandacht?

‘Omdat het welzijnswerk een enorme potentiële kracht heeft om iets voor elkaar te krijgen op Wmo-domeinen, zoals sociale samenhang creëren en participatie bevorderen’, zegt ze. ‘Het slechtste wat er kan gebeuren, is dat de Wmo wordt uitgevoerd als een lokale AWBZ. Daarbij zou het weer gaan om individuele aanspraken, bureaucratische indicaties, om een recht waarvoor je niets terug hoeft te doen. Bij de Wmo gaat het er juist om verbindingen te leggen tussen burgers, om wederkerigheid en op alle mogelijke manieren participeren. Dan heb je iets anders nodig dan een AWBZ-geformaliseerde, op individuele aanspraken gerichte benadering, namelijk collectieve voorzieningen.’

Het welzijnswerk kan dan ook geen in zichzelf gekeerde institutie meer zijn, maar moet ‘erop af’, stelt de staatssecretaris, verwijzend naar de actieve, outreachende benadering die door deskundigen als Jos van der Lans wordt bepleit. Jet Bussemaker: ‘Van de burgers mag je ook best vragen dat ze wat terug doen. De bijdrage van het welzijnswerk moet meer vraaggestuurd zijn. Dat betekent dat het aansluit bij wat de burger wil. Dus niet op een AWBZ-manier de zorg overnemen, niet medicaliseren, maar burgers de regie geven.’

Welke eisen kunt u aan dat nieuwe, geheel gedecentraliseerde welzijnswerk stellen?
 

‘Formeel kan ik geen eisen stellen, dat doen de gemeenten. Ik kan gemeenten wel aansporen eisen te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van de basisfuncties die we voor mantelzorg en vrijwilligerswerk hebben benoemd. Wat moet de gemeente doen? En welke partijen schakel je daarbij in? Ondersteuning van vrijwilligers gebeurt voor een heel groot deel door welzijnsorganisaties. Via management by speech, inspiratie opdoen en enthousiasme creëren kan ik daar wel een bijdrage aan leveren.’

Doen gemeenten dat goed of hebben ze daar hulp bij nodig?
 

‘Ja en nee. Er zijn gemeenten die fantastische voorbeelden laten zien. Maar er zijn er ook die bij de Wmo nog te veel achteroverleunen en de uitvoering teveel als een technocratisch proces beschouwen. De Wmo wordt lokaal pas een succes als wethouders hun nek durven uit te steken. Er zijn wethouders nodig die duidelijk maken wat ze willen en afgerekend durven worden op inhoudelijk politieke punten die ze met de gemeenteraad bespreken.’
‘Als de gemeenten de Wmo alleen maar zien als iets dat ze erbij moeten doen, dat extra lasten oplevert en de uitvoering aan medewerkers of instellingen overlaat, dan is dat niet de goede houding. Je kunt niet alle negen prestatievelden van de Wmo op hetzelfde moment even intensief en even goed doen. Dat kan niet en dat hoeft ook niet. Ik weet ook dat er noodgedwongen heel veel tijd naar hulp bij de huishouding is gegaan. Maar dat is nu in wat rustiger vaarwater gekomen. Nu moet er dan ook echt aandacht komen voor die andere kerntaak van de Wmo: de collectieve aanpak.’

Hoe ziet u de verhouding tussen opdrachtgever en –nemer, dus tussen gemeente en instellingen, en de rol van burgers daarbij?

 
‘De crux is uiteindelijk natuurlijk of cliënten tevreden zijn. Maar het begint ermee dat de wethouder een politieke visie neerlegt en daarover in gesprek gaat met de gemeenteraad. Zij zijn de vertegenwoordigers van de cliënten. De Wmo moet ook een politieke discussie opleveren tussen gemeenteraad en wethouder. Als het ergens misgaat, stellen kamerleden vragen aan mij. Maar voor vragen over afstemming, regie en verantwoordelijkheden moeten ze helemaal niet bij mij zijn, maar op lokaal niveau. Vanuit VWS stellen wij de randvoorwaarden – we doen niet anders – via kwaliteitskeurmerken, registrering, stimuleringsprogramma’s en bijvoorbeeld dit congres.’

Maagdelijk burgerschap bestaat niet, zegt Eveline Tonkens. De burger behoeft ondersteuning om actief te worden. Hoeveel inzet kunt u van burgers vragen en welke begeleiding moeten zij daarbij krijgen?
 

‘We verwachten niet dat burgers hun buurvrouw helemaal verzorgen. Ik wil geen burgerplicht opleggen, maar wel duidelijk maken dat de overheid niet alle problemen voor je kan oplossen. Je mag ook iets zelf doen en iets voor anderen betekenen. Het gaat om wederkerigheid: de gemeente doet iets voor burger, de burger kan best iets terug doen. Dat betekent ook dat je elke burger als iemand met potentiële kwaliteiten ziet, en niet als een slachtoffer dat jij moet begeleiden. Dat is ‘welzijnswerk nieuwe stijl’: iemand in een rolstoel kan ook een fantastische vrijwilliger zijn, of een fantastische rol spelen in de buurtvereniging. We zijn te veel geneigd te kijken naar wat mensen nodig hebben. Met vrijwilligerswerk bewijs je niet alleen de maatschappij een dienst, maar ook jezelf.’
‘Ik zie heel mooie voorbeelden. Bijvoorbeeld van een verpleeghuis waar vrijwilligers uit de buurt allerlei activiteiten organiseren. Met een buurtrestaurant waar bewoners, buurtbewoners en vrijwilligers kunnen eten. Alleenstaande ouderen zijn daardoor niet meer eenzaam. In dat geval heb je geen professional meer nodig die thuis eenzaamheid gaat bestrijden, maar komt de bewoner zijn huis uit, doet iets voor anderen en krijgt er zelf iets voor terug.’

Alsof uw bezuinigingen op ondersteunende begeleiding vooral een heilzaam effect hebben.
 

‘Er zijn wethouders die dat heel nadrukkelijk tegen mij zeggen. Gemeenten waar het welzijnswerk op orde is, hebben weinig last van bezuinigingen op ondersteunende begeleiding. Veel van die begeleiding was welzijnswerk op individueel niveau. Bijvoorbeeld iemand die thuis en tegen betaling langskomt om samen met jou een appeltaart te bakken. Ik zie liever dat mensen de deur uit gaan om gezamenlijk iets te doen. Hoewel ik ook wel zie dat mensen kunnen worden getroffen door het wegvallen van die begeleiding.’

Een Uitbureau in een verzorgingshuis dat vrijwilligers met bewoners naar de film stuurt, dat klinkt ook goed. Maar werkt het echt zo?

 
‘Ik ken wel projecten waarbij vrijwilligers met bewoners meegaan en hun kaartje betaalt krijgen. Kijk je naar SCP-rapporten, dan blijkt elk jaar weer dat burgers tot veel bereid zijn. We moeten ze dan wel op de goede manier aanspreken. Gepensioneerde ouderen kunnen nog heel veel. De leeftijd waarop mensen zorg nodig hebben, ligt nu gemiddeld op 80 jaar en ouder. De groep van zestig- en zeventigjarigen kan nog heel veel en heeft ook heel veel tijd. Iemand met een druk bestaan wil vaak ook best wat doen. Maar niet iedereen heeft de tijd om koffie te schenken in een verpleeghuis. Maar mensen die goed kunnen schrijven of met de pc kunnen omgaan, werken vaak wel graag voor bijvoorbeeld een school- of buurtkrant.’

De Wmo kenmerkt zich door grote doelstellingen als sociale samenhang. In hoeverre lukt dat in de voorbeelden die u kent?

 
‘Op het terrein van sport zijn er fantastische voorbeelden. In een wijk waar weer een speelveldje is, waar kinderen kunnen voetballen en andere sporten kunnen doen, is er ook weer een ontmoetingsplek voor bewoners. Bovendien is ook nog de overlast bestreden doordat mensen weer toezicht houden. Soms is het lastig, soms is sociale samenhang aanbrengen helemaal niet zo ingewikkeld. Het gaat met vallen en opstaan. Het gaat ook niet in één keer, maar het is wel een mooie uitdaging.’
‘Sociale samenhang is ingewikkeld te meten. Je kunt het heel goed aflezen aan de plannen voor maatschappelijke opvang, stedelijke kompassen voor dak- en thuislozen. Dat is welzijnswerk nieuwe stijl avant la lettre. Die plannen gaan uit van de cliënt en zijn niet meer aanbodgestuurd. De schotten worden doorbroken, want het gaat om een woonplek, schuldhulpverlening, onderwijs, integratie, werk. Die benadering leidt aantoonbaar tot minder overlast. Dus houden die gemeenten potentieel geld over om weer aan welzijn te besteden.’
Een uitstekend voorbeeld biedt ook het Zeeuws-Vlaamse Sluis, schetst Bussemaker. ‘Als kleine gemeente heeft Sluis een halve beleidsmedewerker Wmo en voert ze bij indicaties met elke bewoner een individueel gesprek aan de keukentafel. Dan blijkt soms dat iemand meer ondersteuning nodig heeft dan waarom hij vroeg. Maar de gemeente vermijdt met haar aanpak ook dat iemand niet het juiste krijgt. Iemand die bijvoorbeeld om een scootmobiel vraagt omdat hij eenzaam is, maar niet met vervoermiddel overweg blijkt te kunnen, blijft kampen met eenzaamheid. Zo iemand heeft dus iets anders nodig. Ontdek je dat bijtijds, dan spaar je als gemeente veel geld uit. Dat kun je weer op een andere manier inzetten.’

Daarmee beschrijft u de Wmo wel weer als een kostenverhaal.

‘Het is maar waar je het geld aan wilt besteden. Cynici zeggen: “Die huisbezoeken kunnen niet, want dat is veel te arbeidsintensief en kost dus te veel geld”. In Sluis zeggen ze: “Goede gesprekken kunnen ons ook wat opleveren”. Het zal niet voor iedere gemeente op dezelfde manier kunnen. Maar kijk wel wat je als gemeente of welzijnsinstelling voor de burger kunt betekenen.’

Bron: Wmo-special Zorg en Welzijn, september 2009

Actuele nieuwsitems

Er zijn op dit moment geen laaste nieuwsberichten aanwezig.